Direct naar de content
Dit artikel wordt u aangeboden door Triodos Investment Management
De redactie van Pensioen Pro draagt voor deze inhoud geen verantwoordelijkheid.

Waarom Europa’s reactie op de energiecrisis fundamenteel verkeerd is

De oorlog tegen Iran heeft geleid tot sterk stijgende energieprijzen wereldwijd, waaronder ook in Europa. De politieke reflex is inmiddels bekend: de accijns op brandstof verlagen, steun aan de pomp bieden, laten zien dat overheden iets doen. Deze impuls is begrijpelijk, maar de achterliggende logica is gebrekkig. Iets wat we al geruime tijd weten.

Europa is structureel verslaafd aan geïmporteerde fossiele energie, en elke prijscrisis onthult de kosten van die afhankelijkheid scherper dan de vorige. In 2025 gaf de EU EUR 396 miljard uit aan fossiele brandstofimporten, wat neerkomt op ongeveer € 1.100 per Europese burger. Een energieprijsschok is echter geen natuurramp met willekeurige slachtoffers. Het is een overdrachtsmechanisme: inkomen stroomt van importerende economieën naar exporterende landen, van huishoudens en bedrijven naar fossiele brandstofproducenten. Als netto-importeur van energie staat Europa structureel aan de verliezende kant van die overdracht. Elke prijspiek betekent dat het continent collectief meer betaalt voor dezelfde energie. Dat inkomen komt niet meer terug.

Aan de andere kant van de vergelijking staan de recordwinsten van fossiele brandstofbedrijven. Shell, BP en ExxonMobil zitten niet in een crisis, maar profiteren van onverwachte een meevaller. Hun winst is, in zeer directe zin, het spiegelbeeld van Europa’s afhankelijkheid.

De verkeerde reflex

Het verlagen van brandstofaccijns als reactie op een prijsschok voelt intuïtief aantrekkelijk, maar is economisch contraproductief. Het verlaagt de prijs van datgene wat juist het probleem veroorzaakt. Het verdeelt steun de willekeurig waardoor welgestelde huishoudens evenzeer (of zelfs meer) profiteren als degenen die de schok daadwerkelijk niet kunnen opvangen. Het neemt bovendien het enige signaal weg dat structurele verandering zou kunnen aanjagen: de prijsprikkel om het verbruik te verminderen en de ontwikkeling van alternatieven te versnellen.

Zoals econoom Martin Sandbu van The Financial Times opmerkte, hadden beleidsmakers in 2022 gelijk toen ze zeiden dat steun “tijdig, gericht en tijdelijk” moest zijn, om vervolgens grotendeels te falen in de uitvoering. Volgens denktank Bruegel bestond slechts 27% van de enorme Europese energiesteunpakketten in 2022-2023 uit gerichte maatregelen. Bijna driekwart ging naar brede prijs-dempende maatregelen en belastingverlagingen die iedereen ten goede kwamen, ongeacht de noodzaak. Er is geen excuus om diezelfde fout nu te herhalen. Ervaringen uit eerdere crises laten duidelijk zien dat goed gerichte steunmechanismen effectiever en fiscaal duurzamer zijn dan brede subsidies. Een punt dat het Internationaal Energieagentschap (IEA) expliciet maakte in zijn reactie op de huidige marktverstoring.

De juiste respons vereist drie afzonderlijke maar complementaire maatregelen:

1. Energieverbruik verminderen

Vermindering van de vraag is de hefboom die het snelste beschikbaar is en die in het politieke debat het meest onderschat wordt. Het IEA, geen organisatie die bekendstaat om zijn radicale standpunten, heeft tien concrete vraaggerichte maatregelen opgesteld die overheden, bedrijven en huishoudens onmiddellijk kunnen implementeren: thuiswerken waar mogelijk, snelheids-limieten op snelwegen verlagen, gebruik van openbaar vervoer stimuleren en niet-essentiële vliegreizen beperken. Transport over de weg is goed voor ongeveer 45% van de wereldwijde olievraag. Het IEA benadrukt dat aanbodgerichte maatregelen alleen de omvang van de verstoring niet volledig kunnen opvangen. Vraagsturing moet daarom deel van het antwoord zijn.

Tijdens de COVID-pandemie daalde het benzine- en dieselverbruik in de EU met ongeveer 20% ten opzichte van het pre-pandemieniveau, voornamelijk door de instorting van woon-werkverkeer. Het IEA schat dat als alle werknemers die thuis kunnen werken dat één dag per week zouden doen, de vermindering van de energievraag door transport aanzienlijk en onmiddellijk zou zijn, zonder nieuwe technologie.

Een kritischer benadering van energie-intensieve digitale infrastructuur is eveneens op zijn plaats. Datacenters verbruikten in 2024 in de EU naar schatting 70 TWh elektriciteit, ongeveer 3% van de totale elektriciteitsvraag. Het IEA verwacht dat dit tegen 2030 zal oplopen tot 115 TWh, voornamelijk gedreven door AI. Dat is vergelijkbaar met met het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van Nederland. Kijken wat echt nodig is en het verbruiken verminderen door slim beleid in plaats van harde noodzaak is rationeel economisch beleid voor een continent dat het grootste deel van zijn energie importeert.

2. De transitie versnellen in plaats van terugdraaien

Het structurele antwoord op onze afhankelijkheid van fossiele brandstof is lokaal opgewekte, hernieuwbare energie. In 2025 genereerden wind en zon voor het eerst meer elektriciteit in de EU dan fossiele brandstoffen. Een mijlpaal die Europa’s blootstelling aan dit soort externe prijsschokken met elke nieuw geïnstalleerde gigawatt aan opwekcapaciteit verder vermindert. De Europese Commissie heeft dit erkend middels de Clean Energy Investment Strategy die als doel heeft om de komende drie jaar meer dan EUR 75 miljard in de energietransitie te investeren.

Maar deze transitie kan een huidige crisis niet oplossen. Uitbreiding van het elektriciteitsnet, vergunningverlening en bouw kosten tijd. En juist hier wordt het huidige politieke moment gevaarlijk. In plaats van deze crisis te gebruiken als argument om de transitie te versnellen, gebruiken verschillende Europese regeringen hem als dekmantel om het beleidskader dat de transitie mogelijk maakt af te breken. Na een jaar waarin duurzaamheidsrapportageverplichtingen zijn teruggedraaid, de invoering van CO₂-beprijzing in het transport en de bouwsector is uitgesteld en tien dereguleringspakketten zijn gelanceerd, heeft de huidige energiecrisis geleid tot oproepen om het EU Emissiehandelssysteem (ETS) op te schorten of fundamenteel te verzwakken. Italië heeft zelfs om volledige opschorting gevraagd. Dat zou een ernstige fout zijn.

Het verzwakken van het ETS zou de investeringszekerheid voor industrieën die zich al hebben gecommitteerd aan decarbonisatie tenietdoen, terwijl het geen verlichting biedt voor de prijsvolatiliteit van fossiele brandstoffen. Die wordt immers veroorzaakt door afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, niet door CO₂-beprijzing. Zoals Sandbu terecht opmerkt, brengt een strakker monetair beleid als reactie op de inflatoire effecten van de olieschok het risico met zich mee de schade verder te verergeren door juist de transitie-investeringen te vertragen die Europa’s toekomstige blootstelling zouden verminderen. Het terugdraaien van het ETS als reactie op een energiecrisis is beleidsmatig vergelijkbaar met het behandelen van een verslaving door de drug goedkoper te maken.

3. Meevallers belasten, kwetsbaren beschermen

De derde maatregel is politiek omstreden, maar analytisch het meest logisch. Wanneer een crisis zorgt voor grote meevallers bij fossiele brandstofproducenten ten koste van huishoudens en importerende economieën, heeft fiscaal beleid een duidelijke opdracht in het herverdelen van die winsten. Winstbelastingen zijn in dit geval een no-brainer.

Het precedent bestaat en het werkt. Het VK introduceerde in 2022 een winstbelasting voor olie- en gasproducenten. Shell betaalde in 2023 meer dan vijftig keer zoveel Britse belasting als het jaar ervoor. De maatregel loopt tot 2030. Klimaatorganisaties pleiten voor een permanente Europese versie: structureel belasten van excessieve winsten uit fossiele brandstoffen, waarbij de opbrengsten worden bestemd voor de energietransitie en gerichte steun aan huishoudens.

De opbrengsten van zo’n mechanisme zouden niet moeten worden teruggesluisd in algemene brandstofsubsidies. Ze moeten ten goede komen aan hen die de schok daadwerkelijk niet kunnen opvangen, via inkomenstransfers en gerichte steun. Idealiter gestructureerd zoals het Duitse “prijsplafond”-ontwerp, dat een vaste hoeveelheid basisverbruik dekt, terwijl de marginale prijsprikkel om minder te gebruiken intact blijft. Algemene brandstofbelastingverlagingen zijn regressief: ze komen onevenredig ten goede aan huishoudens met hogere inkomens, omdat die meer energie verbruiken. Gerichte inkomenssteun is zowel rechtvaardiger als economisch efficiënter.

De politieke valkuil

Het onderliggende risico van dit moment is niet dat Europa deze respons verkeerd uitvoert, maar dat het de crisis gebruikt als excuus om juist die beleidsmaatregelen af te schaffen die een volgende crisis zouden voorkomen. Als het Europese emissiehandelssysteem substantieel wordt verzwakt zonder andere instrumenten te versterken, dreigt de hele structuur van duurzame investeringen in te storten. Bedrijven die te goeder trouw in emissiereductie hebben geïnvesteerd zouden worden gestraft terwijl zij die verandering hebben tegengewerkt zouden worden beloond.

Europa’s structurele probleem is de afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen, die ons kwetsbaar maakt voor precies dit soort externe schokken. Deze afhankelijkheid maakt Europa als netto-importeur momenteel armer en wordt bovendien gebruikt als chantagemiddel, zoals de VS opnieuw dreigt te doen. De oplossing bestaat uit minder verbruiken, meer lokale duurzame energie opwekken, de winsten van degenen die van de crisis profiteren belasten, en degenen die de kosten echt niet kunnen dragen gericht beschermen.

Afkicken vergt inspanning en politieke moed. Verslaafd blijven heeft een prijs. Europa betaalt die prijs keer op keer als een tanker van koers verandert.