Direct naar de content
Dit artikel wordt u aangeboden door a.s.r.
De redactie van Pensioen Pro draagt voor deze inhoud geen verantwoordelijkheid.

“Het echte werk begint pas na het invaren”

Dirk Korbee, directeur Financial Management Pensioenen bij a.s.r.

De pensioensector telt af naar de laatste invaarmomenten van de Wet toekomst pensioenen, maar pensioenbestuurders kunnen nu al voorsorteren op de volgende fase. Fondsen staan namelijk voor de uitdaging om het risicobudget van deelnemers zo slim en efficiënt mogelijk in te zetten, waarbij nadrukkelijk verder gekeken moet worden dan het beleggingsrisico.

De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel slokt momenteel vrijwel alle aandacht van de sector op. Begrijpelijk, vindt Dirk Korbee, directeur Financial Management Pensioenen bij a.s.r.: “Maar wie iets verder vooruitkijkt, ziet dat na het invaren een fundamentelere vraag op tafel komt. Benutten pensioenfondsen het nieuwe stelsel wel optimaal voor hun deelnemers? De Wtp dwingt pensioenfondsen om keuzes die vroeger impliciet bleven, voortaan expliciet te maken. Doet het pensioenfonds iets zelf, of besteedt het dat uit aan een specialist zoals a.s.r.? Welke risico’s horen eigenlijk bij de deelnemer thuis? En wanneer voegt het collectief nog waarde toe? Het zijn vragen die door alle keuzes van een pensioenfonds heen lopen.”

Van alleskunner naar regisseur

“In het oude stelsel deed het pensioenfonds vrijwel alles zelf”, vertelt Korbee. “In het nieuwe stelsel ligt dat anders. Het vermogen wordt collectief belegd, maar de resultaten werken veel directer door in het persoonlijke pensioenvermogen van deelnemers. Elke keuze van het fonds heeft dan ook sneller gevolgen voor hen. Daarnaast is er geen algemene buffer meer. Afhankelijk van de regeling kunnen risico’s worden verwerkt via vooraf vastgestelde toedelingsregels en via een solidariteits- of risicodelingsreserve. Dat maakt de afwegingen voor pensioenfondsen wezenlijk anders. Voor veel fondsen is dat aanleiding om aanvullende regelingen opnieuw tegen het licht te houden, zoals regelingen voor arbeidsongeschiktheid, nettopensioen of specifieke groepen. Dit soort regelingen kunnen voor een fonds relatief duur zijn, waardoor de kosten per deelnemer oplopen. Voor verzekeraars sluiten deze regelingen doorgaans beter aan op het bestaande productaanbod. Dan komt vanzelf de vraag op of samenwerking een doelmatiger oplossing biedt.”

Dat is geen theoretische exercitie meer. Korbee: “We hebben dit met een aantal fondsen daadwerkelijk gedaan. Zo besloot het Personeelspensioenfonds APG in 2024 de uitvoering van de nettopensioenregeling onder te brengen bij a.s.r. Dat was tien jaar geleden ondenkbaar. Het laat zien dat partijen bestaande grenzen durven los te laten in de zoektocht naar de beste oplossing voor hun deelnemers. Ook andere fondsen bewegen in die richting. Sommige wachten bewust tot na de transitie, omdat zij eerst de nieuwe pensioenregeling zorgvuldig willen invoeren. Daarna volgt de volgende vraag wanneer de kracht van het collectief voldoende is en wanneer een andere partij echt meerwaarde biedt.”

Het risicobudget van de deelnemer

Biometrische risico’s zoals overlijden en arbeidsongeschiktheid raken volgens Korbee nog directer de portemonnee van de deelnemer. In het oude stelsel hield een fonds één collectieve buffer aan voor alle risico’s samen, opgebouwd uit de risico’s van de beleggingen, operationele risico’s én biometrische risico’s. Kleine schommelingen in sterfte of arbeidsongeschiktheid gingen daarin op, zonder dat een individuele deelnemer dat merkte. Korbee: “Als er toevallig een paar meer mensen arbeidsongeschikt werden of overleden, kon het pensioenfonds dat dankzij de buffer goed opvangen en viel het in het niet bij bewegingen in de beleggingen of verplichtingen. In het nieuwe stelsel worden deze resultaten, afhankelijk van de regeling, verwerkt via vooraf vastgestelde toedelingsregels en via de solidariteits- of risicodelingsreserve. In een normaal jaar blijven afwijkingen vaak beperkt. Bij een calamiteit of pandemie kunnen de gevolgen echter groter zijn en zichtbaar worden in het pensioenvermogen van deelnemers. Een fonds moet daarom bewust bepalen of en hoe het dit risico wil dragen en verdelen. Want hoe ga je aan jouw deelnemers uitleggen dat hun potje kleiner wordt, omdat iemand anders is overleden?”

Deze nieuwe kwetsbaarheid vraagt om een andere blik op het risicobudget. Iedere deelnemer kan en wil maar een bepaalde hoeveelheid risico dragen, en de vraag is aan welke risico’s dat budget wordt besteed. Korbee: “Je pensioenregeling is ingericht op basis van risicopreferentieonderzoek, maar dat gaat vrijwel volledig over de beleggingskant. Eigenlijk zou je ook de biometrische risico’s moeten meenemen. Als een fonds relatief veel sterfte- of arbeidsongeschiktheidsrisico loopt, vraag ik mij af of je het beleggingsrisico wat bij wilt stellen zodat het totale risico voor de deelnemer niet boven de grens komt van wat die kan of wil hebben.”

Een cruciaal verschil is daarbij dat niet elk soort risico wordt beloond. Bij beleggen gaat meer risico hand in hand met een hoger verwacht rendement. Korbee: “Voor arbeidsongeschiktheids- en sterfterisico geldt dat niet. Je loopt het risico zonder dat daar een verwacht extra rendement tegenover staat, zoals bij beleggen. Het afdekken ervan kost geld, wat het gesprek hierover soms lastig maakt. Zolang de sterfte en arbeidsongeschiktheid binnen het fonds zich normaal ontwikkelen, lijkt het risico bovendien niets te kosten. Maar het is er wel degelijk. En als het echt misgaat, is het te laat om nog bij te sturen.”

Staartrisico’s en vertrouwen

Hoewel de kans op calamiteiten niet uitgevlakt mag worden, kunnen fondsen er volgens Korbee ook voor kiezen om dit na de transitie op te pakken: “Anders dan bij die aanvullende regelingen, wordt de transitie hier niet makkelijker of moeilijker van. Ik verwacht dat veel fondsen hier na de transitie mee aan de slag gaan. Maar het risico moet bij bestuurders van pensioenfondsen wel op het netvlies staan.” In sommige gevallen vormt het inschatten van het risico een extra uitdaging. Bij arbeidsongeschiktheid zijn pensioenfondsen bijvoorbeeld vaak afhankelijk van gedateerde cijfers van het UWV. Verzekeraars hebben door hun grote portefeuilles arbeidsongeschikten goed en vooral actueel inzicht op de marktontwikkelingen. Korbee: “Een derde wijze waarop verzekeraars pensioenfondsen kunnen aanvullen, is door te helpen met acties om de kans op arbeidsongeschiktheid te verkleinen of de periode dat iemand aan de zijlijn staat in te korten. Juist in tijden dat het UWV het lastig heeft met de workload, kunnen pensioenfondsen, achterliggende werkgevers en verzekeraars elkaar versterken. Ook een offertetraject heeft in deze context een dubbele functie. Pensioenfondsen zouden niet alleen op zoek moeten gaan naar de beste prijs, maar ook kunnen toetsen of de eigen risico’s goed worden ingeschat. Als de premie sterk afwijkt van de eigen inschatting, kan dat een signaal zijn dat de risico’s veel groter zijn dan verwacht.”

“Regie houden betekent niet dat je alles zelf moet uitvoeren”

Naast de vraag welke risico’s een fonds zelf wil dragen en welke taken beter uitbesteed worden, is er een derde: wanneer voegt het collectief zelf nog aantoonbaar waarde toe? Korbee: “Pensioenfondsen hebben meestal een goed risicopreferentieonderzoek gedaan. Dan kom je voor 80 tot 90 procent van de deelnemers uit op een passende regeling waarbij het collectief duidelijk waarde toevoegt. Alleen is dat wat anders dan dat het voor elke individuele deelnemer de beste oplossing is. Dat geldt zeker in de uitkeringsfase van de flexibele premieregeling.

Daar is de vaste uitkering een wettelijk verplichte keuzeoptie. Ieder pensioenfonds moet deelnemers, naast een variabele uitkering, ook een vaste uitkering kunnen aanbieden. Als ik een pensioenfonds was, zou ik dat zelf niet willen uitvoeren. Om een vaste uitkering te kunnen garanderen, moet je het langlevenrisico en het beleggingsrisico van de deelnemer overnemen en daar zelf kapitaal voor aanhouden. Dat vraagt om schaal, actuariële kennis en een beleggingsapparaat dat een individueel fonds meestal niet zelf wil opbouwen. Dan beleg je die uitvoering liever bij een partij voor wie dat de kerntaak is. Een pensioenfonds moet ook oog hebben voor deelnemers die niet in het gemiddelde profiel passen en baat kunnen hebben bij een andere oplossing. Gaat het om een handjevol mensen, dan tuig je daar niets voor op. Bij vijf of tien procent van het deelnemersbestand van een groot pensioenfonds ligt dat al anders. Bij kleinere pensioenfondsen, zal dit zelfs nog eerder spelen. Er is gewoon een markt voor dat
soort producten.”

De afweging tussen zelf doen en uitbesteden komt op meerdere plaatsen in de pensioenregeling terug. Zo tekenen de contouren van een nieuw ecosysteem van specialisten zich af. Waarin het pensioenfonds de regie houdt en partijen zoals a.s.r. inschakelt waar hun expertise waarde toevoegt. Korbee: “In het nieuwe stelsel is het niet meer vanzelfsprekend dat een pensioenfonds alles zelf doet. De vraag is steeds: welke risico’s wil en kan het fonds zelf dragen, en waar ligt zijn kracht? Zelf blijven doen kan nog steeds de beste keuze zijn, zolang die keuze bewust wordt gemaakt. Pensioenfondsen en verzekeraars staan daarbij niet langer vanzelfsprekend tegenover elkaar. Ze kunnen elkaar juist aanvullen om voor deelnemers tot de beste oplossing te komen.”

Dirk Korbee is directeur Financial Management Pensioenen bij a.s.r. en heeft ruim 25 jaar ervaring in de pensioen- en verzekeringssector, als adviseur en in managementrollen. Bij a.s.r. is hij onder meer verantwoordelijk voor de propositie aan pensioenfondsen, waaronder herverzekeringsoplossingen en de buy-out propositie.