Inflatie als eerste stresstest onder Wtp?

De Wet toekomst pensioenen is voor veel fondsen niet langer een papieren stip op de horizon, maar een dagelijkse realiteit. Sinds 2026 zijn tientallen fondsen ingevaren en voor miljoenen deelnemers wordt het nieuwe stelsel voor het eerst concreet zichtbaar op het pensioenoverzicht en in de uitkering.
Daarmee dient zich mogelijk ook de eerste echte stresstest aan: inflatie.
Dit macro-economisch fenomeen is een bekende stressfactor waar fondsen zich op hebben voorbereid. Het dient daarmee als toetssteen voor de vraag of het nieuwe stelsel zijn centrale belofte kan waarmaken: een pensioen dat beter kan meebewegen met economische ontwikkelingen en daarmee meer perspectief biedt op koopkrachtbehoud. Hoewel het pensioenstelsel op lange termijn veelbelovend lijkt, zijn er op korte termijn relevante risico’s.
Juist nu geopolitieke spanningen wereldwijd oplopen, van energieconflicten tot handelsmaatregelen en verstoringen van aanvoerlijnen, stijgt de kans op nieuwe inflatoire druk. De recente stijging van energieprijzen als gevolg van escalaties rond olie- en gasinfrastructuur laat zien hoe snel dit kan doorslaan naar de globale economie, en we staan mogelijk pas aan het begin. De inflatie van energieprijzen heeft de totale inflatie per mei 2026 al opgedreven naar 3,5%, en Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van CBS, verwacht dat dit nog tot zeker het einde van het jaar zal aanhouden. Inflatie van energieprijzen kan uiteindelijk nog een schokgolfeffect krijgen waardoor ook andere prijscategorieën sterk stijgen.
De vraag is daarom niet óf inflatie een risico vormt.
De vraag is of pensioenfondsen voldoende bewust zijn van de risico’s als gevolg van hoge inflatie, en deze risico’s zijn breder dan enkel financieel risico.
Van financieel risico naar legitimiteitsrisico
Onder het oude stelsel bleef inflatie gevoelsmatig meer op afstand van de deelnemer. Discussies gingen over dekkingsgraden en de ruimte voor het al dan niet uitkeren van toeslagen. Onder de Wtp wordt de relatie tussen de economie en pensioenen zichtbaarder en directer.
Transparantie is daarmee de kracht van het nieuwe stelsel zowel als de kwetsbaarheid. Wanneer deelnemers in de eerste jaren na invaren horen dat het pensioen “meer meebeweegt”, ontstaat al snel de verwachting dat de koopkracht beter beschermd wordt doordat schokken in de economie en aandelenkoersen beter kunnen worden opgevangen.
Bij oplopende inflatie wordt die verwachting onmiddellijk getest.
Stijgen prijzen van energie, wonen en dagelijkse boodschappen sneller dan het pensioen, dan ontstaat niet alleen koopkrachtverlies, maar vooral een risico op teleurstelling over de werking van het nieuwe contract. Het financiële risico wordt daarmee ook een reputatierisico.
De eerste jaren zijn het meest kwetsbaar
Fondsen die gebruik maken van rendementsspreiding zijn extra kwetsbaar. Rendementsspreiding is ontworpen om schokken te dempen en uitkeringen stabieler te laten verlopen. Maar juist in de eerste jaren na overgang is dat mechanisme nog niet volledig “op stoom”. Het spreidingsvermogen moet zich eerst opbouwen, maar is op het moment van invaren nog leeg. Daarmee ontstaat een fundamentele asymmetrie: inflatie werkt direct, demping via spreiding werkt vertraagd.
Juist in de eerste één à twee jaar wordt het daardoor mogelijk uitdagend om de ambitie van een koopkrachtig pensioen waar te maken. Dat is een effect van invaren, en daarmee ook onvermijdelijk. Bij lage inflatie blijft dat beperkt zichtbaar. Het koopkrachtverlies is dan maar beperkt.
Bij hoge inflatie, zoals we bij de vorige energiecrisis gezien hebben, wordt dit het eerste moment waarop deelnemers het nieuwe stelsel actief gaan beoordelen, en dat oordeel zal zelden genuanceerd zijn. Het zal gaan over de simpele vraag:
“Merk ik er iets van in mijn portemonnee?”
Het bestuurlijke dilemma: nu indexeren of ruimte behouden?
Voor fondsen die nog moeten invaren, maar ook voor fondsen die al onder de Wtp opereren, wordt inflatie een bestuurlijke lakmoesproef.
Veel fondsen beschikken nog steeds over relatief sterke financiële posities. De gemiddelde dekkingsgraad lag begin 2026 rond de 129%, al is die recent weer onder druk gekomen door geopolitieke spanningen en marktschommelingen.
Bij veel pensioenfondsen heeft dit als effect dat de dekkingsgraad ruimte creëert om te indexeren. Maar elke verhoging van opgebouwde of ingegane pensioenen heeft een prijs: minder financiële ruimte voor toekomstige stabiliteit, reserves of compensatie. Hierdoor ontstaat een dilemma.
Neem bijvoorbeeld een fonds dat beoogt in te varen op 1-1-2027. Indexeren is in lijn met het geldende pensioenreglement op 31 december, maar bij hoge inflatie heeft indexatie een forse impact op de dekkingsgraad. Dit kan er voor zorgen dat op 1 januari niet alle beloftes kunnen worden waargemaakt. Dat heeft effect op de evenwichtigheid; kan nog wel volledig gecompenseerd worden voor het afschaffen van de doorsneesystematiek? En zorgt een forse indexatie voor een intergenerationele herverdeling?
Afwegingen die een nihil effect hebben bij lage inflatie, maar hoge inflatie maakt deze afweging scherper en zichtbaarder.
Inflatie als eerste stresstest
Daarmee is inflatie misschien wel de eerste echte stresstest van de Wtp.
Niet omdat het stelsel financieel onvoldoende is ontworpen, maar omdat inflatie de spanning blootlegt tussen:
- koopkrachtambitie;
- intergenerationele evenwichtigheid;
- bestuurlijke keuzes;
- deelnemersverwachtingen.
Het succes van de Wtp zal in de eerste jaren minder worden beoordeeld op juridische zuiverheid dan op ervaren uitkomsten. Als geopolitieke spanningen leiden tot nieuwe prijsdruk, wordt die test sneller en harder zichtbaar dan veel fondsen nu wellicht voorzien.
De eerste echte vraag aan het nieuwe stelsel is dan niet technisch, maar op reputatie:
“Houdt het vertrouwen stand als de koopkracht onder druk komt?”
Het antwoord daarop wordt met name gevormd door de mate waarin je als pensioenfonds in staat bent om de deelnemer mee te nemen in een lange termijn verhaal, waarin je kunt laten zien dat er weliswaar jaren met tegenslag zijn, maar dat er over een groter aantal jaren wel een positief pensioenresultaat (inclusief koopkrachtbehoud) is. Communicatie die aankomt bij de deelnemer is daarom cruciaal. Hun vertrouwen in de regeling en het fonds is een van de belangrijkste factoren die beslissend kan zijn voor succesvol invaren en doorstarten in het nieuwe stelsel.