De mythe van het neutrale pensioenfonds

Column van Joeri de Wilde, Senior Econoom bij Triodos Bank
Tegenstanders van de verduurzaming van de Nederlandse pensioensector creëren een schijntegenstelling tussen financiële en duurzaamheidsdoelen. Die tegenstelling berust op een verouderd beeld van financiële waardecreatie en sluit niet aan bij de werkelijkheid van vandaag.
In hun stuk in het FD betogen Jules van Binsbergen en Dennis Vink dat het rendement van pensioendeelnemers gevaar loopt doordat pensioenfondsen steeds vaker ook duurzaamheid als onderdeel van hun kerntaak zien. Van Binsbergen en Vink bedienen zich hierbij van een aantal argumenten die vaker voorbijkomen wanneer pensioenfondsen stappen richting duurzaamheid zetten: het zou de wettelijke plicht van pensioenfondsen ondermijnen, via uitsluiting zou geen invloed kunnen worden uitgeoefend, en er zou zoiets bestaan als een politiek neutrale beleggingsportefeuille.
Duurzaamheid is kerntaak
Critici als Van Binsbergen en Vink hameren op de wettelijke plicht voor pensioenfondsen: een adequaat pensioen via een optimale risico-rendementsverhouding. Volgens hen is dit onverenigbaar met een kleinere beleggingsportefeuille gericht op positieve impact. Maar dat is een achterhaald perspectief. Ten eerste is duurzaamheid helemaal niet optioneel, maar wettelijk verankerd via de Code Pensioenfondsen. Deze code schrijft voor dat pensioenfondsen een beleggingsbeleid hebben ‘waarvan milieu- en klimaat- en sociale en governance factoren een uitdrukkelijk en kenbaar onderdeel zijn.’
Ten tweede houdt het idee dat duizenden beleggingen nodig zijn om voldoende spreiding en rendement te behalen geen stand. Uit verschillende studies blijkt dat een kleiner aantal bedrijven ruimschoots volstaat. Daarbij maakt een compacte portefeuille het eenvoudiger om als aandeelhouder een actieve rol te spelen: bedrijven beter doorgronden, aanspreken en bijsturen.
Bovenal is het zo dat een goed pensioen weinig waard is in een onleefbare wereld.
Uitsluiten zet de norm
Ook een ander stokpaardje van de critici gaat mank. Het uitsluiten van bedrijven of sectoren door pensioenfondsen zou zogenaamd zinloos zijn, omdat andere beleggers de aandelen toch wel oppakken. Volgens deze redenering verandert uitsluiting niets aan de beurskoers of bedrijfswinst, maar verliezen uitgesloten bedrijven wel de prikkel om te verduurzamen door gebrek aan tegengas op aandeelhoudersvergaderingen. Dit miskent waar uitsluiting werkelijk om draait.
Uitsluiting draait niet om het uitdelen van een directe financiële klap, maar om het trekken van een morele grens. Het ontneemt bedrijven stukje bij beetje hun ‘social license to operate’. Dat werkt niet van de ene op de andere dag, maar het effect is er wel degelijk: bedrijven merken het via kritische media, bewuste consumenten en werknemers, en uiteindelijk via aangescherpte wetgeving. Normstelling is zo een effectief drukmiddel.
Politieke neutraliteit bestaat niet
Ook het argument van een beperkt draagvlak onder deelnemers snijdt geen hout. Deelnemersonderzoeken van bijvoorbeeld PFZW en ABP laten steevast zien dat een ruime meerderheid duurzaam wil beleggen. Critici schuiven die uitkomsten echter terzijde met de bewering dat deelnemers de vragen niet goed begrijpen of sociaal wenselijke antwoorden geven. Hun oplossing voor deze vermeende meetfouten? Een zogenaamd politiek neutrale aanpak waarbij geen enkel bedrijf wordt uitgesloten.
Maar ook onverkort blijven beleggen in alle bedrijven en sectoren is niet waardevrij. Daarmee accepteer je impliciet de bestaande economische verhoudingen en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Niet kiezen is dus óók een keuze.
Het argument dat deelnemers geen vrijwillige klanten zijn en doorgaans niet uit een fonds kunnen stappen, werkt bovendien twee kanten op. Als de meeste deelnemers duurzaamheid belangrijk vinden, doe je juist geen recht aan hun voorkeuren wanneer duurzaamheidscriteria geen onderdeel zijn van het beleggingsbeleid.
Echo uit het verleden
Zo bezien gaat dit verzet niet over eventueel misgelopen rendement, maar over het onvermogen een oud wereldbeeld los te laten waarin maatschappelijke verantwoordelijkheid secundair is. Het Sustainable Pension Investment Lab (SPIL) stelde al dat niets pensioenfondsen in de weg staat om richting meer geconcentreerde, duurzame portefeuilles te bewegen. Het vraagt slechtsom een ‘iets andere manier van denken.’
Precies dat lef tonen steeds meer pensioenfondsbestuurders. Ze luisteren naar hun deelnemers en maken hun beleggingsbeleid toekomstbestendig. Tegen die ontwikkeling steekt de repeterende kritiek schril af. Zij weerspiegelt vooral een visie op pensioenbeleggen die steeds minder aansluit bij de uitdagingen van deze tijd.